Op de as van Rome

De brand van Rome, 18 juli 64. Schilderij van Hubert Robert, ca. 1770-1790. Le Havre, Musée d'art moderne André Malraux. © DEAGOSTINI / LEEMAGE

Nero beschuldigde de christenen ervan de brand te hebben aangestoken die de hoofdstad van het keizerrijk in de as legde. De christenen werden zwaar gefolterd, maar hun marteldood versnelde hun opgang.

Tacitus, een van de grote geschiedschrijvers uit de oudheid, zegt dat de terechtstelling van de christenen extra erg was omdat ‘men ook nog eens de spot met hen dreef’. Zo kregen zij beestenvellen aangetrokken om door wilde honden verscheurd te worden, of sloeg men hen aan het kruis, of ze werden bestemd voor de vuurdood en aan het eind van de dag aangestoken bij wijze van avondlicht’ ( Annales, XV, 44)1 Rome zou de hoofdstad van het katholicisme worden, maar het leven van de christenen begon er onder het slechtst denkbare gesternte. De vervolgingen volgden elkaar op. Sommige, zoals die onder Diocletianus, hij regeerde van 284 tot 305, waren ongemeen wreed. De aanhangers van de nieuwe religie stonden slecht aangeschreven. En dat is bijzonder zwak uitgedrukt. In zijn Leven van Nero schrijft Suetonius dat de christenen gestraft werden omdat ze verdacht werden van superstitio, obscure magische praktijken.

Pas na zes dagen is de brand geblust. De schade is enorm: niet alleen woningen en winkels, maar ook tempels en heiligdommen zijn in vlammen opgegaan.

In de tweede helft van de eerste eeuw was het christendom slechts een van de vele stromingen binnen het jodendom, met eigenheden die niet werden begrepen. In de Annales (XV, 44) vertelt Tacitus dat de christenen zo’n slechte reputatie hadden dat het gemakkelijk was ze de schuld te geven van de brand van Rome, die waarschijnlijk door Nero zelf was aangestoken. Om dit misprijzen te begrijpen moet je weten dat religie in Rome vooral een openbare en dus een politieke aangelegenheid was. Al in een basisdocument van het Romeinse recht, de Wet van de Twaalf Tafelen van omstreeks 451 v.C., staat te lezen dat ‘niemand apart nieuwe of vreemde goden mag hebben tenzij ze openbaar werden aangenomen’.2

Joden en christenen werden beschuldigd van ‘haat tegen de mensheid’ omdat ze in aparte gemeenschappen leefden, niet deelnamen aan het openbare leven en al helemaal niet aan religieuze plechtigheden omdat deze in Rome een burgerlijk en patriottisch karakter hadden. Ze wilden hun God niet naast de andere goden van het pantheon plaatsen. Met hun uitspraak dat hun God de enige ware was, sloten ze zich op in een voor de Romeinen onbegrijpelijk monotheïsme. Ze ondermijnden daarmee de grondslagen van de Pax Romana: het vreedzaam naast elkaar bestaan van religies in een rijk dat bestond uit een veelheid aan volkeren met eigen erediensten. Bovendien betrof het oppergezag van de keizer niet alleen het burgerlijke maar ook het religieuze domein. De godsdienstbeoefening van alle joden verschilde van die van de traditionele burgerlijke cultussen, maar de groep onder hen die zich op Christus beriep, was veruit het gevaarlijkst, want op zijn minst probeerden de andere joden andere mensen niet te bekeren en vroegen ze alleen om hun godsdienst in hun gebedshuizen en in hun eigen gemeenschap te mogen beleven. Tegen die achtergrond is het gemakkelijker te begrijpen waarom Nero hen de schuld gaf van de vreselijke brand die Rome teisterde in 64, tien jaar nadat hij tot keizer was uitgeroepen.

Bronzen kop van Nero. Romeinse kunst (50-75 na Christus). Parijs, Musée du Louvre.
Bronzen kop van Nero. Romeinse kunst (50-75 na Christus). Parijs, Musée du Louvre.© DEAGOSTINI/LEEMAGE

Iedereen zou voor het leven getekend zijn als hij had meegemaakt wat Nero had doorgemaakt om op de troon te komen. Alles begon toen hij nog een prille tiener was. Zijn moeder, Agrippina de Jonge, had hem ter wereld gebracht op 15 december 37. Ze was toen 23 jaar. De vader van haar kind was dertig jaar ouder dan zij. Ze hield niet van die man, een arrogante en losbandige patriciër die haar door Tiberius als echtgenoot was opgedrongen. Zijn toenaam was Ahenobarbus, ‘de rosbaardige’, zijn voornaam Domitius. De zoon kreeg dezelfde naam: Lucius Domitius. Volgens Plinius de Oude schreef Agrippina in haar memoires dat haar zoon met de voeten eerst ter wereld kwam, iets wat als een slecht voorteken werd gezien.

Een incestueuze relatie

Agrippina de Jonge was de zus van Caligula en de dochter van, de grote generaal Germanicus en Agrippina de Oude. Ze was mooi, verleidelijk, berekenend en ambitieus. Ze vond steeds de gepaste woorden om iemand te vleien en te behagen, maar zette daarvoor al even vaak en uiterst doeltreffend haar zinnelijke lichaam in. Niets ontzegde ze zich, zelfs geen vrijpartijtjes met haar broer Caligula – waarbij overigens ook haar zussen betrokken waren. Na de moord op Caligula, in 41, werd de keizertroon ingenomen door de vijftigjarige Claudius, broer van Germanicus en dus oom van Caligula en Agrippina. In zijn familie maar ook daarbuiten werd de man vaak als een marionet beschouwd. Ze gaven hem een vijftienjarig meisje tot vrouw. Messalina, zoals ze heette, zou de geschiedenis ingaan in een geur van wellust, geilheid en erotiek, maar stierf nauwelijks dertien jaar na haar huwelijk een tragische dood.

De joden en de christenen werden beschuldigd van ‘haat tegen de mensheid’ omdat ze in aparte gemeenschappen leefden, niet deelnamen aan het openbare leven en al helemaal niet aan religieuze plechtigheden omdat deze in Rome een burgerlijk en patriottisch karakter hadden.

In januari 49, vijf jaar na Messalina’s overlijden, werd Agrippina de nieuwe first lady: ze trouwde met Claudius, dus met haar oom – alweer een in – ces tu euze relatie. Lucius Domitius was haar idee-fixe, niet om – dat ze zo veel van haar zoon hield, maar omdat ze dacht aan wat ze via hem zou kunnen bereiken. Door haar puberende zoon te manipuleren kon ze verkrijgen wat ze als vrouw niet mocht nastreven.

Ze ging sluw te werk. Eerst haalde ze Seneca, de grootste denker van zijn tijd, uit ballingschap terug om hem aan te stellen tot privéleraar van haar zoon. Daarna liet ze Lucius Domitius adopteren door Claudius, haar man en oom, waarbij de naam van de jongen veranderd werd in Nero Claudius Drusus Germanicus. Toen Nero zestien was, gaf ze hem de twaalfjarige Claudia Octavia tot vrouw. Claudia was de dochter van Messalina, maar had niet de wulpse ingesteldheid van haar moeder.

De beruchte en in zekere opzichten mysterieuze brand van Rome in 64, een van de grote gebeurtenissen in de geschiedenis van de stad en in die van Nero, verbond de figuur van deze keizer voorgoed met de opkomst van het christendom. Op 19 juli arriveerde een boodschapper tussen één en twee uur ’s nachts buiten adem in Antium (het huidige Anzio), waar Nero zich teruggetrokken had, om de keizer te melden dat het Circus Maximus in brand stond en de vlammen de keizerlijke paleizen bedreigden. Nero reed spoorslags naar de stad en kwam net op tijd om te zien dat de hele wijk in lichterlaaie stond. Een deel van zijn verblijf was al in de as gelegd. Pas na zes dagen was de brand geblust. Om te voorkomen dat hij zich uitbreidde, had men hele gebouwencomplexen afgebroken. De schade was enorm: niet alleen woningen en winkels, maar ook tempels en heiligdommen waren in vlammen opgegaan. Ook de tempel van Vesta, waar behalve de huisgoden van het Romeinse volk ook Griekse kunstwerken en andere oudheden werden bewaard, was met de grond gelijkgemaakt.

Triomf van het geloof. Christelijke martelaren onder Nero. Schilderij van Eugène-Romain Thirion (tweede helft 19de eeuw). Privéverzameling.
Triomf van het geloof. Christelijke martelaren onder Nero. Schilderij van Eugène-Romain Thirion (tweede helft 19de eeuw). Privéverzameling.© WWW.BRIDGEMANART.COM

Meer dan een tiende van de stad was platgebrand. Een van de belangrijke delen daarvan was de wijk van het forum ten zuiden van de Via Sacra. Onmiddellijk werd rondverteld dat Nero zelf de brand had aangestoken. Vooraanstaande getuigen bevestigden het gerucht. Zo schreef Plinius de Oude in zijn Naturalis Historia (17, 5) dat ‘de keizer de dood had verhaast van bomen die normaal zeer oud werden en tot de brand van keizer Nero door goed onderhoud fris groen waren gebleven’. In zijn Geschiedenis van Rome (62, 16, 1) windt Lucius Cassius Dio er geen doekjes om: ‘Hierna zette Nero zijn zinnen op wat hij wellicht al lang had willen doen: tijdens zijn leven Rome en de hele omgeving met de grond gelijkmaken.’ In de 6de eeuw schreef de neoplatoonse filosoof Boëthius in Over de vertroosting van de wijsbegeerte (boek 2, metrum 6) op dezelfde stellige toon: ‘We weten wat een puinhopen hij [Nero] achterliet door de stad in brand te steken [… ]’.

Brandstichter Nero

Het belangrijkste getuigenis is echter dat van de reeds vermelde Tacitus in zijn Annales (XV, 14): ‘Om een eind te maken aan de geruchten wees Nero schuldigen aan, die hij op speciale manieren strafte. Het ging om mensen die bij het volk gehaat waren om hun schanddaden en “christenen” werden genoemd. Ze heten naar Christus, die onder het bewind van Tiberius door landvoogd Pontius Pilatus ter dood was gebracht. Daardoor was het verderfelijk bijgeloof tijdelijk onderdrukt maar het stak de kop toch weer op, niet alleen in Judea, bakermat van dat kwaad, maar zelfs in Rome, de stad waar alle gruwelen en kwalijke praktijken van de wereld terechtkomen en worden uitgeleefd. Men pakte eerst mensen op die voor hun geloof uitkwamen en daarna, op hun aanwijzing, een geweldige massa. Ze werden niet eens zozeer schuldig verklaard aan de brand als wel van haat tegen de mensheid.’

‘Schanddaden’, ‘haat tegen de mensheid’: dat kenmerkt in de ogen van de grote geschiedschrijver het christendom. Volgens de gangbare mening – bewezen is het niet – was Petrus, de ‘vorst der apostelen’ zoals de kerk hem noemt, een van de vele martelaren.

Tacitus schreef zijn ‘opiniestuk’ vijftig jaar na de feiten. Hij gaf toe niet helemaal zeker te zijn van de oorsprong van de brand – ‘Daarna volgde door toeval dan wel boos opzet van de keizer (er zijn bronnen voor beide) een ramp, die zwaarder en verwoestender was dan alles wat de stad ooit door geweld van vuur was overkomen’ -, maar voegde er fijntjes aan toe: ‘En niemand durfde de brand te bestrijden, omdat tal van mensen liepen te dreigen en verboden het vuur te blussen. Anderen gooiden openlijk fakkels rond en riepen luid dat zij “hun orders hadden”‘ ( Annales, XV, 38). Suetonius is hierover nog duidelijker en zegt dat ambtenaren die deze fakkeldragers op hun grondgebied betrapten, niet tegen hen in durfden te gaan.

Semen est sanguis christianorum’, zei Tertullianus over de vervolgingen van de eerste gelovigen: het bloed van de christenen is zaad voor nieuwe christenen.

Of Nero aan de oorsprong van de brand ligt of niet, één ding is zeker: hij werd steeds sterker het slachtoffer van zijn waanzin. Hij declameerde verzen, componeerde en speelde muziek en wilde dat men zich hem zou herinneren als acteur en dichter, niet als politicus. Hij nam zijn intrek in het letterlijk brandnieuwe Gouden Huis. Dat de Gallische en de Spaanse legioenen onder respectievelijk Vindex en Galba in opstand kwamen, maakte hem niet ongerust. Hij had al zo veel – echte en vermeende – complotten en opstanden overleefd dat deze evenmin zijn einde zou betekenen.

Hij had ongelijk. De graanreserves raakten op. De gratis bedelingen van graan aan de bevolking werden steeds zeldzamer. De keizer had het contact met de werkelijkheid verloren. Voor een heerser is dat dikwijls het begin van de val. Eind mei barstte de opstand los. Galba rukte op naar Rome. Nero had plannen om naar Egypte te reizen, maar zijn anders zo trouwe pretorianen weigerden hem te begeleiden. De keizer had net zijn 31ste verjaardag gevierd. Voor het eerst in zijn leven was hij alleen. Hij ging naar bed, maar had de ene nachtmerrie na de andere. Toen hij opstond, merkte hij dat zelfs zijn bewakers de benen hadden genomen en op hun vlucht ‘de dekens en het doosje met gif hadden meegenomen’.3 Hij zocht vruchteloos iemand om hem te doden. Dan maar een afgelegen plek gezocht waar hij even kon nadenken. ‘De door hem vrijgelaten Phaon bood hem zijn dicht bij de stad gelegen landgoed aan (nabij de vierde mijlpaal, tussen de Via Salaria en de Via Nomentana). Nero ging daar onmiddellijk op in. Hij bond een zakdoek voor zijn gezicht, zette iets op zijn hoofd, gooide een verschoten mantel over zijn tuniek, besteeg blootsvoets zijn paard en vertrok met een slechts vierkoppig gezelschap.’4

Op de as van Rome
© JOSSE / LEEMAGE

Het christendom verspreidt zich

Het groepje arriveerde ongemerkt op het landgoed. Na een korte rust gaf Nero opdracht een grafkuil te delven waarin hij paste. Terwijl zijn mannen daarmee bezig waren, riep hij herhaaldelijk vol zelfmedelijden uit: ‘Wat een kunstenaar gaat met mij verloren!’ Hij wilde zelfmoord plegen, had er de moed niet toe, vroeg zijn gezellen nu eens een klaagzang overhemaan te heffen en dan weer zelfmoord te plegen om hem de moed te geven hetzelfde te doen, maar niemandreageerde. Er resttehem niet veel tijd meer. ‘Reeds naderden de ruiters die hem levend moesten vangen. Toen hij hen hoorde, citeerde hij met bevendestemHomerus’ Ilias: “De hoefslag van snelvoetige paarden nadert mijn oor”, om vervolgens, geholpen door zijn secretaris Epaphroditus, een dolk in zijn keel te steken. Hij lag te zieltogen toen een honderdman zogenaamd om hem te helpen kwam toegelopen en zijn mantel op de wonde legde. “Te laat”, murmelde Nero. En hij stierf terwijl hij eraan toevoegde: “Dit is trouw!” Zijn starre, uitpuilende ogen joegen ieder die hem zag koude rillingen over de rug.’5

Nero stierf terwijl de nieuwe religie, het ‘christendom’, zich verder aan het verspreiden was. De christelijke theoloog Tertullianus, werkzaam in Carthago in de decennia voor en na 200, zei over de vervolgingen van de eerste gelovigen: ‘Semen est sanguis christianorum’, ‘Het bloed van de christenen is zaad voor nieuwe christenen’.

(1) De vertalingen van Annales XV, 44 in dit artikel zijn ontleend aan www.vincenthunink.nl/documents/tacitus-brand.htm.

(2) Cicero, De legibus, 2, 19.

(3) Suetonius, De vita caesarum, Nero, 47.

(4) Ibid., 48.

(5) Ibid., 49.

Partner Content