Verwoestende mijnbouw die waterbronnen vervuilt en omwonenden ziek maakt. Stuwdammen en palmolieplantages die boeren met geweld van hun gronden verdrijven. Overal ter wereld zijn bedrijven betrokken bij schendingen van mensenrechten. De ontginning van grondstoffen en de handel in landbouwproducten (onder meer voor onze smartphones en chocolade) zijn enkele van de meest problematische sectoren. Wereldwijd worden verdedigers van mensenrechten en milieu bovendien gecriminaliseerd, bedreigd, aangevallen en vermoord. De straffeloosheid regeert. Ondertussen geven onze politici nog steeds vrij spel aan big business.

Delen

Dictators tikken we graag op de vingers. Waarom doen we dat niet bij machtige multinationals?

De ongelijkheid is stuitend: terwijl de belangen van de privésector verankerd zijn in tal van handels- en investeringsverdragen, blijven mensen en milieu onbeschermd. Overheden en bedrijven negeren systematisch het recht van lokale gemeenschappen op voorafgaande inspraak rond economische projecten. Een globaal kader om bedrijven aansprakelijk te houden voor schendingen van mensenrechten is er niet. Maar multinationals kunnen wél aankloppen bij allerhande arbitragetribunalen wanneer ze hun belangen bedreigd zien door nationale milieuwetgeving en sociale beschermingsstelsels.

Van vrijwillig naar afdwingbaar

In 2011 zetten de Verenigde Naties een belangrijke stap met de goedkeuring van de VN-Richtsnoeren rond Bedrijven & Mensenrechten. Op basis van deze Richtsnoeren stelden tal van landen Nationale Actieplannen rond Bedrijven en Mensenrechten op. Ook België deed dat. Harde maatregelen blijven echter uit. Sensibilisering en vrijwillige engagementen zijn waardevol, maar staten moeten bedrijven ook ter verantwoording kunnen roepen en sanctioneren wanneer nodig. Daarom nam een groep landen, onder leiding van Ecuador en Zuid-Afrika, in 2014 het initiatief om een bindend internationaal verdrag uit te werken.

Tijdens de vierde onderhandelingsronde in Genève deze maand ligt voor het eerst een concrete ontwerptekst op tafel. Daarin staan onder meer bepalingen om bedrijven wettelijk aansprakelijk te maken voor hun zorgplicht of due diligence: bedrijven moeten voor elke schakel in de keten nauwgezet de risico's op vlak van mensenrechten monitoren, actieplannen ondernemen en rapporteren. Wanneer ze die zorgplicht niet naleven, volgen sancties. In Frankrijk werd overigens in 2017 al een nationale wet aangenomen die de grootste bedrijven tot due diligence verplicht.

EU en België blijven talmen

De oproep tot een internationaal afdwingbaar verdrag wordt gesteund door honderden sociale bewegingen, vakbonden, ngo's en academici wereldwijd. Ook het Europees Parlement nam recent nog een resolutie aan met een duidelijke oproep om werk te maken van een bindend instrument. Ondanks dit brede draagvlak blijven de Europese Commissie en België een aarzelende houding aannemen en de legitimiteit van het proces in vraag stellen. Het is tot nu toe zelfs onduidelijk of de EU überhaupt wel zal deelnemen aan de vierde onderhandelingssessie. De stap van tandeloze principes naar afdwingbare wetgeving blijkt, onder invloed van de machtige Europese bedrijfslobby, moeilijk te slikken.

België kan nochtans een belangrijke rol spel in dit proces, door bij de EU aan te dringen op een constructieve positie in de onderhandelingen rond een bindend verdrag. Ons land zetelt bovendien nog tot eind dit jaar in de VN-Mensenrechtenraad. De bescherming van mensenrechtenverdedigers en de strijd tegen straffeloosheid zijn zogenaamd prioriteiten van het buitenlands beleid.

Dictators en autoritaire regimes tikken we graag op de vingers. Maar of onze nobele principes ook gelden wanneer de bad guys in kwestie machtige multinationals zijn? Van 15 tot 19 oktober heeft ons land een unieke kans om zijn nek uit te steken.

Wies Willems is Beleidsmedewerker Natuurlijke Rijkdommen bij Broederlijk Delen.