Laten we eerst maar eens de realiteit onder ogen zien: ik ben negenenzeventig. Waarom wil ik dan in hemelsnaam over de jeugd praten? En waarom ook nog eens met de jongeren zelf? Kunnen die niet beter zelf vertellen wat het betekent om jong te zijn? Of kom ik hun de wijze lessen geven van een oude man die de gevaren van het leven kent en de jeugd wil leren dat ze maar beter wantrouwig is, zich gedeisd houdt en de wereld ongemoeid laat?

Ik hoop toch dat het tegendeel zal blijken. Dat ik de jongeren hier toespreek om hun te vertellen wat het leven te bieden heeft en om welke redenen de wereld absoluut veranderd moet worden, redenen die je ertoe verplichten risico's te nemen, juist daarom.

Het is mijn bedoeling de jeugd te corrumperen.

Maar ik begin met een verre aanloop, met een beroemde geschiedenis die te maken heeft met de filosofie. Socrates, de vader van alle filosofen, werd ter dood veroordeeld op verdenking van 'het corrumperen van de jeugd'. De allereerste officiële reactie op de filosofie vormde dus al een bijzonder ernstige beschuldiging: filosofen corrumperen de jeugd. Uit dat oogpunt wil ik rustig zeggen dat het mijn bedoeling is de jeugd te corrumperen.

Maar wat betekent dat 'corrumperen' eigenlijk, ook in de hoofden van de rechters die Socrates ter dood hadden veroordeeld omdat ze hem ervan beschuldigden de jeugd te corrumperen? Het kan geen 'corruptie' in financiële zin zijn. Het was niet een van die 'affaires' waarover je vandaag in de krant kunt lezen: mensen die zich verrijken door in de een of andere staatsinstelling gebruik te maken van hun positie. Dat hebben de rechters Socrates zeker niet kunnen aanwrijven. Laten we niet vergeten dat een van de dingen die Socrates zijn rivalen, de zogenaamde sofisten, juist verweet, was dat ze zich lieten betalen. Hij corrumpeerde de jeugd in feite gratis en voor niks, met zijn revolutionaire lessen, terwijl de sofisten zich dik lieten betalen en lesgaven in opportunisme. 'De jeugd corrumperen' in socratische zin is dus allesbehalve een geldkwestie.

Het gaat evenmin om morele corruptie, en nog minder om een van die seksueel getinte affaires waarover je ook wel in de krant kunt lezen. Integendeel, bij Socrates, of liever bij Plato, die Socrates' visie vertolkt (of verzint?), vind je een heel verheven opvatting van de liefde, een opvatting die liefde en seks niet van elkaar scheidt, maar die de liefde daar wel gaandeweg van losmaakt, ten gunste van een soort opgang van het subject. Natuurlijk kan en moet die opgang zelfs worden aangevangen in het contact met mooie lichamen. Maar dat contact biedt meer dan seksuele opwinding: het vormt een materiële basis voor de toegang tot wat Socrates de idee van het Schone noemt. Met als gevolg dat liefde uiteindelijk de creatie is van een nieuw denken, dat niet gedreven wordt door seksualiteit alleen, maar door iets wat we 'de geseksueerd gedachte liefde' zouden kunnen noemen. Een liefdesdenken dat deel uitmaakt van de intellectuele en geestelijke constructie van het zelf.

Het corrumperen van de jeugd door een filosoof is dus geen kwestie van geld of genot. Gaat het dan om corruptie door macht? Seks, geld en macht vormen een triade, de triade van de corruptie. Zeggen dat Socrates de jeugd corrumpeert, zou dan hetzelfde zijn als zeggen dat hij zijn verleidelijke woorden inzet om macht te verwerven. De filosoof zou de jongeren gebruiken voor meer macht en autoriteit. De jongeren dienen zijn ambitie. In die zin worden ze gecorrumpeerd doordat hun naïviteit wordt ingeschakeld in wat je met Nietzsche de 'wil tot macht' zou kunnen noemen.

Integendeel, zeg ik nog maar eens. Bij Socrates, gezien door de ogen van Plato, is er juist nadrukkelijk sprake van een aanklacht tegen het corrumperende karakter van de macht. Het is de macht en niet de filosoof die corrumpeert. Bij Plato lees je een luide kritiek op de tirannie en op het verlangen naar macht, een kritiek waar niets meer aan toe te voegen valt en die in zekere zin definitief is. Je vindt bij Plato zelfs de omgekeerde overtuiging: wat de filosoof de politiek kan bijbrengen, is hoegenaamd geen wil tot macht, maar belangeloosheid.

Zoals jullie zien komen we uit bij een opvatting van de filosofie die absoluut niets te maken heeft met ambitie of machtswedloop.

Wat dat betreft wil ik graag een passage citeren uit mijn eigen nogal eigenaardige vertaling van De staat van Plato. Op het omslag staat te lezen: 'Alain Badiou' (de naam van de auteur) en daaronder La République de Platon (de titel van het boek). Het is dus niet zo duidelijk wie het boek nu eigenlijk geschreven heeft. Plato? Of Badiou? Of misschien Socrates, van wie gezegd wordt dat hij zelf nooit schreef? Ik geef toe dat het een aanmatigende titel is. Maar het resultaat is waarschijnlijk een levendiger boek, dat voor jongeren van nu toegankelijker is dan een strikte vertaling van de tekst van Plato.

Wat ik jullie nu ga voorlezen speelt zich af op het moment dat Plato zich afvraagt wat nu juist het verband is tussen macht en filosofie, tussen politieke macht en filosofie. Dan blijkt hoeveel waarde hij hecht aan belangeloosheid in de politiek.

Socrates praat met twee mensen, twee jongeren om precies te zijn, dus we blijven bij ons onderwerp. In Plato's oorspronkelijke versie zijn het twee jongens: Glaucon en Adimantus. In mijn vanzelfsprekend modernere versie gaat het om een jongen, Glauque, en een meisje, Amantha. Dat is wel het minste wat je vandaag kunt doen als je met of over jonge mensen praat: dat je de meisjes evengoed meetelt als de jongens. Dit is de dialoog:

SOCRATES: Wanneer we voor degenen wier beurt het is een deel van de macht uit te oefenen een veel hoogstaander leven kunnen vinden dan het leven dat die macht hun te bieden heeft, kan er misschien een ware politieke gemeenschap bestaan. Want de mensen die dan aan de macht zullen komen, zijn alleen degenen voor wie niet het geld maar datgene wat nodig is om gelukkig te zijn rijkdom betekent: het ware leven, vol rijke gedachten. Wanneer daarentegen mensen die op persoonlijk voordeel uit zijn zich naar de publieke zaak haasten, mensen die heilig geloven dat macht steeds het bestaan en de vermeerdering van de privé-eigendom bevordert, is er geen ware politieke gemeenschap mogelijk. Zulke mensen vechten als hongerige leeuwen om de macht, en die strijd, die private passies en publieke macht met elkaar vermengt, breekt niet alleen de kandidaten voor de hoogste functies, maar brengt uiteindelijk het hele land om zeep.

GLAUQUE: Een afschuwelijk gezicht!

SOCRATES: Zeg eens, ken jij misschien een leven dat door de macht en door de staat wordt geminacht?

AMANTHA: Zeker! Het leven van de ware filosoof, het leven van Socrates!

SOCRATES (in zijn nopjes): Nu ook niet overdrijven... We weten nu dat mensen die op de macht verliefd zijn niet aan de macht mogen komen. Want dan krijg je niets dan strijd onder de kandidaten. Daarom is het dus nodig dat de hoede over de politieke gemeenschap om beurten wordt uitgeoefend door de grote massa mensen die ik zonder aarzelen filosofen noem: belangeloze mensen, die instinctief weten wat de publieke dienst kan inhouden, maar die ook weten dat er nog heel andere verdiensten bestaan dan die welke je kunt halen uit het frequenteren van overheidsinstellingen, een leven dat veel verkieslijker is dan dat van politiek leider.

AMANTHA (fluisterend): Het ware leven...

SOCRATES: Het ware leven. Dat nooit afwezig is. Of toch nooit helemaal.

Daar staat het. Het onderwerp van de filosofie is het ware leven. Wat is een waar leven? Dat is de enige vraag die een filosoof zich stelt. En voor zover de jeugd gecorrumpeerd wordt, gebeurt dat dus niet voor het geld, het genot of de macht, maar om de jeugd te laten zien dat er iets beters is dan dat alles: het ware leven. Iets wat de moeite waard is, wat het leven de moeite waard maakt, en dat geld, genot en macht ver achter zich laat.

Laten we niet vergeten dat 'het ware leven' een uitdrukking van Rimbaud is. Een echte dichter van de jeugd, die Rimbaud. Iemand die poëzie schrijft vanuit zijn totale ervaring van het beginnende leven. Hij was het die in een moment van wanhoop zo hartverscheurend heeft geschreven: 'Het ware leven is afwezig.'

Wat de filosofie ons leert, of in elk geval tracht te leren, is dat wanneer het ware leven niet altijd aanwezig is, het ook nooit helemaal afwezig is. Dat het ware leven een beetje aanwezig is, dat is wat de filosoof wil laten zien. Hij corrumpeert de jeugd in de zin dat hij haar wil laten zien dat er ook zoiets als een vals leven, een verwoest leven bestaat: een leven dat geleefd en gedacht wordt als een harde strijd om geld en macht. Het leven dat aan alle kanten gereduceerd wordt tot de pure en simpele bevrediging van de onmiddellijke driften.

Eigenlijk, zegt Socrates, en voorlopig volg ik hem gewoon, moeten we vechten om het ware leven te winnen op de vooroordelen, de gemeenplaatsen, de blinde gehoorzaamheid, de gratuite gebruiken en de ongebreidelde concurrentie. In wezen betekent de jeugd corrumperen maar één ding: trachten ervoor te zorgen dat ze niet de gebaande wegen inslaat, dat ze er niet toe is veroordeeld alleen maar te gehoorzamen aan wat maatschappelijk gangbaar is, dat ze zelf iets kan uitwerken en in verband met het ware leven een andere richting kan aanwijzen.

Uiteindelijk denk ik dat alles begint bij Socrates' overtuiging dat de jeugd twee interne vijanden heeft. Het zijn die interne vijanden die haar van het ware leven dreigen te verwijderen en die ervoor kunnen zorgen dat ze de mogelijkheid van het ware leven in zichzelf niet herkent.

De eerste vijand zouden we de passie voor het onmiddellijke leven kunnen noemen: de passie voor het ludieke, het genot, het moment, een hit, een bevlieging, een joint, een dom spelletje. Socrates ontkent niet dat die dingen bestaan. Maar wanneer ze zich opstapelen en op de spits worden gedreven, wanneer die passie dag in, dag uit je leven gaat organiseren, een leven dat wordt opgehangen aan de tijd van het onmiddellijke, waarin de toekomst onzichtbaar of hoe dan ook volstrekt onduidelijk is, dan kom je uit bij een vorm van nihilisme, een opvatting van het bestaan die geen consistente betekenis bezit. Een leven dat geen betekenis geeft en dus niet kan duren zoals het ware leven. Zo'n 'leven' is dan niet meer dan een tijd die wordt opgedeeld in min of meer goede en min of meer slechte momenten, zodat je uiteindelijk alleen nog maar kunt hopen dat je leven uit zo veel mogelijk min of meer acceptabele momenten zal bestaan.

Deze opvatting ontwricht en versnippert uiteindelijk het idee van het leven zelf, en daarom is dit beeld van het leven ook een beeld van de dood. Dat is een diepe gedachte die je heel duidelijk terugvindt bij Plato: wanneer het leven zozeer aan het onmiddellijke wordt onderworpen, dan ontwricht en verstrooit het leven zichzelf, dan herkent het zichzelf niet meer en is het niet langer met een vaste betekenis verbonden. In de taal van Freud en van de psychoanalyse, waar Plato vaak op vooruitloopt, zou je kunnen zeggen dat dit beeld van het leven ontstaat wanneer de levensdrift heimelijk door de doodsdrift wordt bewoond. Onbewust tast de dood het leven aan door het te ontbinden en van elke mogelijke betekenis te ontdoen. Dat is de eerste intieme vijand van de jeugd, want het is een ervaring die ze onvermijdelijk moet doorstaan. Ze moet de dodelijke macht van het onmiddellijke op een heftige manier ervaren. De filosofie wil die levende ervaring van de interne dood niet ontkennen; ze wil haar overstijgen.

De tweede interne bedreiging voor jonge mensen lijkt hier op het eerste gezicht aan tegengesteld te zijn: de passie voor maatschappelijk succes, het idee om rijk te worden, iemand met macht, die alles voor elkaar heeft. Het idee om zeker niet in het onmiddellijke leven op te branden, maar je daarentegen te verzekeren van een goede plaats in de bestaande maatschappelijke orde. Het leven wordt dan de optelsom van alle listen die je maar kunt bedenken om je zaakjes voor elkaar te krijgen, ook al onderwerp je jezelf zo meer dan wie ook aan de bestaande orde, zodat je het daarin kunt maken. Dit is niet de leefregel van de onmiddellijke genotsbevrediging, maar de leefregel van het degelijk opgebouwde, efficiënte levensproject. Je start in een degelijke basisschool en gaat dan studeren aan een van de betere, voor jou zorgvuldig uitgekozen middelbare scholen. In Parijs bijvoorbeeld verzamelen de beste leerlingen vooral in het Lycée Henri IV of in het Lycée Louis-le-Grand, waar ik overigens zelf mijn middelbareschooldiploma heb behaald. Indien mogelijk ga je dan op dezelfde weg verder: grandes écoles, raden van bestuur, haute finance, machtige mediabedrijven, ministeries, Kamers van Koophandel, start-ups die voor miljarden op de beurs worden genoteerd enzovoort.

Als je jong bent, val je vaak zonder het goed te beseffen ten prooi aan twee mogelijke manieren om je bestaan richting te geven, twee manieren die soms dooreenlopen en elkaar tegenspreken.

Als je jong bent, val je vaak zonder het goed te beseffen ten prooi aan twee mogelijke manieren om je bestaan richting te geven, twee manieren die soms dooreenlopen en elkaar tegenspreken. Die twee verleidingen zou ik kunnen samenvatten in de passie om je leven op te branden en de passie om je leven op te bouwen. Je leven opbranden komt neer op de nihilistische cultus van het onmiddellijke. Dat kan ook heel goed de cultus van de zuivere revolte zijn, de cultus van de opstand, de ongehoorzaamheid, de cultus van de rebellie en van schitterende nieuwe en kortstondige vormen van collectief leven, zoals wanneer pleinen een paar weken lang worden bezet. Maar we zien en we weten dat dit alles zonder duurzaam gevolg blijft en dat er dan niets wordt opgebouwd, dat de tijd zo niet op een georganiseerde manier wordt beheerst. Je handelt onder het devies 'No future'. Wanneer je je leven daarentegen richting geeft met het oog op een beloftevolle toekomst, maatschappelijk succes, geld, een goede sociale positie, een winstgevend beroep, een rustig gezinnetje en vakanties op een zonovergoten eiland, dan kom je terecht in de conservatieve cultus van de heersende macht, want dan zul je je onder de best mogelijke omstandigheden willen settelen.

© Polis

Dat zijn de twee theoretische mogelijkheden die steeds aanwezig zijn in het simpele feit dat je jong bent en je bestaan moet aanvatten en het dus ook richting geven. Opbranden of opbouwen. Of beide tegelijk, maar dat is geen simpele opdracht, want zoiets zou betekenen dat je vuur opbouwt, hoewel vuur brandt, straalt en vonken verspreidt, en momenten uit het bestaan verwarmt en verlicht. Maar vuur vernietigt meer dan dat het opbouwt.

Het bestaan van die twee passies verklaart waarom er al veel langer dan vandaag zulke tegenstrijdige oordelen over de jeugd bestaan. Heel contrasterende oordelen, variërend van het idee dat de jeugd een prachtige tijd is, tot de gedachte dat het de vreselijkste jaren van je leven zijn.

(Vertaling: Piet Joostens)